De twee primaire functies van luchtfilters in een luchtbehandelingssysteem zijn:

  • De installatie en haar componenten schoonhouden en op deze manier de luchtbehandelingskast gedurende zijn gehele levensduur optimaal te laten functioneren
  • De gebruikers van de lucht een schoon en aangenaam werkklimaat verschaffen met een binnenlucht die vrij
is van stof en schadelijke gassen

Om deze doelstelling te bereiken, worden luchtfilters in het systeem geïnstalleerd om verontreinigen uit de buitenlucht en uit de ruimtelucht (zoals roet en fijnstof) te filteren.

Er zijn verschillende typen filters toepasbaar. De meeste filters maken gebruik van meerdere werkingsprincipes. Door de zeefwerking worden deeltjes tussen de filtervezels tegengehouden. Daarnaast zorgt het massa-traagheideffect voor het afvangen van deeltjes door de filtervezels. Een fijnere filtervezel zorgt voor een hoger rendement door het interceptieprincipe. Hierbij worden kleine deeltjes door de vezels aangetrokken. Zeer kleine deeltjes worden door het diffusieprincipe aangetrokken door de vezels. De deeltjes blijven vervolgens aan het materiaal kleven.

Sporen, schimmels en bacteriën vormen een bron van verontreiniging en leiden tot een slechter binnenluchtklimaat. Te hoge luchtsnelheid en een ongelijkmatige aanstroming kunnen tot mechanische beschadiging leiden en eveneens aan een slechtere binnenklimaat bijdragen.